Ooit wil ik mijn dromen vangen. Nu vliegen ze altijd mijn vingers door. Ik wil meevliegen en de zachte bries zijn die het koren doet ritselen op een zwoele zomerdag. Ik wil iets maken, iets betekenen en mijn cynische zwartgalligheid in splinters doen ontploffen. Ik wil maken wat beweegt, wat mensen aanzet tot zelf te willen. Ik wil kunnen wat geen ander kan en leven van de dansende dingen in mijn hoofd.
Ik wil leven tussen stapels papier waarop de letters swingen en hun waarheid met mijn pen vertolken. Ik wil mijn woorden gelezen zien, ik wil ze horen leven. Ik wil zijn wat ik bewonder, ik wil creƫren wat me nu nog onmogelijk lijkt. Ik wil niet dansen voor de massa, geef me een enkel paar geboeide ogen en mijn taak is al volbracht.
Ik wil leven om te werken en niet werken om te leven., hoe hoog gegrepen dat ook klinkt. Een razende drang in mij staat te trappelen op een dood spoor. Ik wil die weg effenen en gewoon doorstomen. Ik hoef niet hoog. Ik hoef niet veel. Gewoon mijn eigen ik bevrijden uit het gedwongen keurslijf. Ik wil leven. Ik wil dromen. Ik wil worden.
