De poes, die is ondertussen onze baby. Onze hyperlieve en rare kater in huis. Als ik weg ga gaat het kopje een lichtjes schuin. En grote en veel te vragende oogjes. En een miauwtje hier of een ‘laat ik je eens lekker vertragen door voor je voeten te lopen of mij te verstoppen onder een trede van de trap!’. Niet echt eronder –al neigt hij wel vaak naar onderduiken in every nook and cranny - maar zo absoluut niet verstopt dat het grappig is. Als een worstje uitgestrekt over de hele tree. En af en toe stiekem vanachter zijn weinig verhullend latje hout kijken om te zien of ik hem al gevonden heb. En dan ineens zoevend van de trap, of misschien weer naar boven, IK WEET HET NIET, ZO VEEL OPTIES.
Onze kat, ja die zorgt ervoor dat we niet teveel geld meer gaan uitgeven. Uiteraard is dat beestje rotverwend door ons, maar hij lijkt ons te willen zeggen dat dat allemaal voor niks nodig is. Hier kleine vriend: een minikrabpaaltje met balletje en muisje-op-een veer. Hier grote baas, lijk ie dan te zeggen, de doos van dat krabding en ik die erop lig. Ja, baas, liever op de doos dan in dat knusse mandje dat je voor me kocht. Of de wasmand! Of nee wacht! De pizzadoos, NOG BETER!
Maar het balletje, dat is wel zijn vriend. Alhoewel, vriend, da’s misschien wat te ver gezocht. Tom rent gelijk gek heel het huis rond, onder veel te lage tafels en kastjes om zijn prooi te vinden. Soms knalt hij zelfs in zijn volle enthousiasme tegen met zijn kop of schouder tegen de tafel of de gitaar. En elke avond als we thuiskomen, floddert hij langs onze benen en miauwt het verhaal van de dag die we gemist hebben. En gisteren, zat hij zelfs voor het raam te wachten toen ik thuiskwam, en de druilerige dag klaarde ineens zienderogen op.

